Mijn eerste herinneringen aan de bloedbank beginnen achter op de fiets bij mijn vader. Een auto hadden we niet, dus weer of geen weer, we gingen op de fiets. Ik hoefde helemaal niet mee, maar ik wilde altijd. Toen ik oud genoeg was om zelf te fietsen, reed ik naast hem. Vanaf ons huis was het zo’n veertig minuten fietsen.

Ik vond het er heerlijk. De mensen waren gezellig, de verpleegkundigen maakten altijd even tijd voor me en er lagen stapels tijdschriften en stripboeken. Maar het allerbeste waren de roze koeken. Soms kreeg ik zelfs een verbandje om mijn arm, zodat het leek alsof ik ook bloed had gegeven. Dat droeg ik met trots.

Jeroen als jongen met kort donker haar en een rood poloshirt, lachend in de camera
Het jongetje van toen.

Zo werd een bezoek aan de bloedbank ons vaste vader-en-zoonuitje. Als we geluk hadden, gingen we na afloop steppegras eten. Voor wie het niet kent: een enorme berg flinterdunne frietjes, met ergens daaronder een schnitzel verstopt. Als kind kon ik me nauwelijks een betere dag voorstellen.

Wat ik toen nog niet begreep, was waarom mijn vader zo lang aan die machine lag. Hij doneerde geen bloed, vertelde hij, maar plasma. Bij een plasmadonatie haalt een machine het plasma uit je bloed en krijg je de rest weer terug. Dat gebeurt in meerdere rondes, waardoor zo’n donatie een stuk langer duurt dan gewoon bloed geven. Voor mij betekende dat vooral extra tijd om stripboeken te lezen.

Pas veel later vroeg ik hem waarom hij eigenlijk ooit was begonnen met doneren. Zijn antwoord was nuchter als altijd: tijdens zijn diensttijd kreeg je een vrije dag als je bloed ging geven. Of hij destijds vooral daarvoor ging of omdat hij iets goeds wilde doen, laat ik maar in het midden. Wat zo begon, bleef hij jarenlang doen.

Op mijn achttiende mocht ik eindelijk zelf doneren. De eerste keer gaf ik bloed, zoals dat toen gebruikelijk was, en later stapte ik over op plasma. Net als mijn vader.

Ineens zat ik niet meer als kind naast hem te wachten, maar lagen we samen te doneren. Twee donoren naast elkaar. Dat hebben we heel lang samen gedaan, totdat hij in zijn laatste levensjaren om gezondheidsredenen niet meer mocht doneren.

Ik bleef nog een tijdje alleen gaan, maar het voelde anders. De bloedbank was voor mij altijd iets geweest wat we samen deden. Zonder hem verdween een deel van wat het zo bijzonder maakte. Uiteindelijk ben ik zelf ook gestopt.

Na zijn overlijden ben ik opnieuw begonnen met doneren. Misschien omdat ik op die manier iets van hem wilde vasthouden. Misschien omdat het na al die tijd gewoon bij me hoorde. Waarschijnlijk een beetje van allebei.

Inmiddels ga ik nog altijd met plezier naar de bloedbank. Het idee dat mijn plasma wordt gebruikt om medicijnen te maken voor mensen die ze hard nodig hebben, geeft me een goed gevoel. Iets wat voor mij relatief weinig moeite kost, kan voor iemand anders veel betekenen.

Onderarm met een donatienaald en een slangetje, vastgezet met tape, terwijl de hand een rood knijpballetje vasthoudt
Tegenwoordig lig ik er zelf.

Alleen hoef ik tegenwoordig niet meer te gaan. Mijn vrouw Lynn doneert namelijk ook. Wat ooit begon als een uitje van vader en zoon, is nu iets wat wij samen doen. Een nepverbandje om mijn arm heb ik allang niet meer nodig. De roze koek is daarentegen nog altijd mijn favoriet.

Selfie van Jeroen en Lynn, lachend voor een muur met de tekst Trotse Donors en een getekende bloedzak met hartjes
Lynn en ik, tegenwoordig samen donor. (Achtergrond AI-gegenereerd)

En soms, als ik daar lig en de machine zachtjes naast me draait, denk ik terug aan dat jongetje achter op de fiets. Aan de regen, de stripboeken, het steppegras en mijn vader.

Zonder hem was ik hier nooit mee begonnen.